Over robots en mensen – deel 2

Een beschouwing door adviseur zorginnovatie en technologie Carin Jansen

Door – Carin Jansen

Inleiding

In deel 1 van dit tweeluik over de interactie tussen mens en machine schrijft Carin Jansen over de schattigheidsrespons en de griezelvallei. In deel 2 gaat ze in op een derde verschijnsel: antropomorfisme. Robots en mensen lijken in sommige gevallen wel erg veel op elkaar en dat laat ons vaak wat ongemakkelijk voelen. Tegelijkertijd daagt het ons uit om de vraag te stellen: wat vinden we er nou eigenlijk van?

Antropomorfisme

Een derde fenomeen speelt ook een rol bij de interactie met en acceptatie van robots. Mensen hebben de neiging om menselijke eigenschappen toe te schrijven aan bijvoorbeeld dieren. Maar soms ook aan voorwerpen. Daarom praten kinderen tegen een pop of praten volwassenen met hun huisdier. Dit wordt antropomorfisme genoemd.

Dit effect lijkt ook van toepassing bij robots. Drie factoren lijken dit te versterken: de fysieke belichaming van het dier,  voorwerp of robot, het vertonen van een soort autonoom gedrag en het nabootsen van menselijk gedrag. Maar uit onderzoeken is ook gebleken dat zelfs door het geven van een naam aan een robot al een ‘relatie’ kan ontstaan.

Onderzoekster Kate Darling (MIT, 2013) liet proefpersonen eerst een tijdje met dinosaurusrobotje Pleo spelen en gaf hen toen de opdracht Pleo te ‘mishandelen‘ en te ‘doden’. Geen één proefpersoon was hiertoe in staat, niemand kon dit over zijn hart verkrijgen.

… niemand kon dit over zijn hart verkrijgen.

Tot slot

In dit tweeluik heb ik kort drie fenomenen besproken die een rol spelen bij de interactie tussen mens en robot. Robotbouwers maken gebruik van kennis van deze fenomenen bij het maken van een robot. Een leuke, grappige of schattige robot verkoopt beter. Denk aan Pleo. Ook kan een schattig uiterlijk ervoor zorgen dat een (therapeutisch) doel wordt gehaald, wat bijvoorbeeld bij Paro het geval is.

Maar er zijn nog veel vragen die beantwoord moeten worden. Als robots in de nabije toekomst steeds meer deel gaan uitmaken van onze leefwereld, is het van groot belang dat we weten hoe het zit met  menselijke reacties op robots. Het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan robots kan namelijk ook gevaarlijk zijn en juridisch onwenselijk. (Meer) onderzoek is dan ook dringend nodig.

Van Paro weten we inmiddels dat hij werkt, maar waarom? Waarom reageren sommige demente ouderen wel op Zora of Paro en niet of nauwelijks op mensen? Waarom praten kinderen met een ernstige vorm van autisme wel tegen Zora? Is de emotieloze Zora die niet oordeelt of die niet gaat handelen naar aanleiding van iemands verhaal een veilige gesprekspartner in tegenstelling tot een hulpverlener die meteen acties gaat starten?

Ook is er dringend behoefte aan een ethische discussie. Wat vinden we ervan als robots worden ingezet om iets te doen aan eenzaamheid bij ouderen? Of als we ‘meeluisteren’ met wat een kind tegen een robot vertelt? Robots gaan in de zorg een grote rol spelen, daar ben ik van overtuigd.

De inzet van servicerobots – robots die hulp bieden bij dagelijkse handelingen zoals iets aanreiken, pakken of inschenken, schoonmaakrobots, til- en transportrobots – zal minder vragen oproepen dan de inzet van sociale robots. Terwijl de sociale robots in de zorg zeker ook een toegevoegde waarde (kunnen) hebben.

Wat vinden we ervan als robots worden ingezet om iets te doen aan eenzaamheid bij ouderen?

Ik pleit dan ook nadrukkelijk voor meer wetenschappelijk onderzoek naar alle aspecten die te maken hebben met de interactie tussen mensen en robots, vanuit de sociale- en gedragswetenschappen, filosofie en ethiek.

Deze kennis moet ervoor zorgen dat we robots op een verantwoorde manier ontwikkelen en inzetten. De technologische ontwikkelingen gaan ontzettend snel, we moeten nu een tandje bijzetten om de gevolgen te gaan begrijpen en er iets van te vinden.