Over robots en mensen – deel 1

Een beschouwing door adviseur zorginnovatie en technologie Carin Jansen

Door – Carin Jansen

Inleiding

In de organisatie waar ik werk hebben we sinds ruim een half jaar robot Zora in huis. In één locatie zijn inmiddels de eerste ervaringen opgedaan. De reacties zijn uiteenlopend. De meeste medewerkers en cliënten zijn onder de indruk van wat Zora allemaal kan maar er zijn ook mensen teleurgesteld over wat ze vooral niet kan. Dat er nog steeds een menselijke handeling  nodig is om Zora te laten doen wat ze moet doen, zien mensen toch vooral als een beperking. Tv-reportages hebben de suggestie gewekt dat Zora, of collega-robot Alice, geheel autonoom een gesprek kunnen voeren. Dat is dus (nog) niet zo.

Maar naast deze reacties op het functioneren van Zora vallen ook andere reacties op. Er zijn mensen die als ze Zora voor het eerst zien, haar schattig of grappig vinden. Vooral als ze gaat dansen of lopen. En als ze valt zijn er mensen die dat zielig vinden. Terwijl het gewoon een ding is dat valt, een ding dat niks voelt, dat te vervangen is en dat op geen enkele manier iets voor jou voelt.

En als ze – Zora – valt zijn er mensen die dat zielig vinden.

Niet zo lang geleden was ik bij een bijeenkomst waar knuffelzeehond Paro even mocht worden doorgegeven onder de aanwezigen. De ‘ohhs’ en  ‘ahhs’ waren niet van de lucht . De zachte, piepende, bewegende knuffel riep veel reacties op. Bij mij ook. Hetzelfde gebeurde toen ik recent Pleo  ‘ontmoette’, een kleine robot in de vorm van een dinosaurus. Ik was meteen verkocht toen het ding zijn oogjes dichtdeed omdat ik hem onder zijn kopje kriebelde.

Drie fenomenen

Het zijn voorgeprogrammeerde reacties van een robot, er is niks natuurlijks of echts aan, en toch reageer ik met emoties. Hoe zit dat eigenlijk met hoe wij, mensen, reageren op robots die menselijke of dierlijke trekjes vertonen?  In mijn zoektocht op internet naar het antwoord stuitte ik op drie psychologische fenomenen die een rol lijken te spelen:

  1. Schattigheidsrespons;
  2. Griezelvallei (uncanny valley);
  3. Antropomorfisme.
Hoe zit dat eigenlijk met hoe wij, mensen, reageren op robots?

Deze  fenomenen hangen samen en treden soms gelijktijdig op. Ze spelen niet bij iedereen in dezelfde mate en in dezelfde situatie. In dit eerste  van twee artikelen bespreek ik  de schattigheidsrespons en de griezelvallei, in het tweede artikel antropomorfisme. Ik heb geen (wetenschappelijk) onderzoek gedaan naar deze specifieke onderwerpen en pretendeer zeker niet volledig te zijn.

Schattig

De reden waarom we een robot wel of niet schattig vinden, lijkt dezelfde te zijn als waarom we dieren schattig vinden. Een aantal kenmerken maakt een dier schattig, zoals  een klein formaat, een ronde kop, grote ogen en een klein neusje. Ook gedrag kan schattig zijn: speelsheid, onhandige bewegingen of hoge piepgeluidjes vinden we al snel aandoenlijk.

De reden hiervoor is mogelijk evolutionair bepaald: het doet ons denken aan baby’s en kleine kinderen en die moeten we beschermen. Daarom vinden we hen – en dus ook dieren of robots  die ons daaraan doen denken – schattig. Hoe schattiger we een baby vinden, hoe meer hersenactiviteit er in een bepaald hersengebied dat een rol speelt bij positieve belevingen gemeten wordt. Datzelfde effect treedt mogelijk ook op bij ‘schattige’ robots.

Hoe schattiger we een baby vinden, hoe meer hersenactiviteit er in een bepaald hersengebied gemeten wordt.

Daarom is Paro in de vorm van een zeehond gemaakt: de ronde kop en de grote donkere ogen zorgen er bijna automatisch voor dat we hem schattig vinden en erop reageren. Zelfs mensen bij wie de hersenfuncties zijn afgenomen door bijvoorbeeld dementie. Een andere succesfactor is de zachte vacht die zorgt voor een aangename aanraking. Daarnaast roept een zeehondfiguur niet meteen (negatieve) associaties op omdat vrijwel niemand ooit eerder een zeehond heeft vastgehouden.

Ook het succes van dinosaurus Pleo is zo te verklaren. Klein formaat, piepgeluidjes, ronde ogen in een rond kopje, het doet ons smelten.

Griezelvallei

Als een robot heel veel op een mens gaat lijken treedt ineens een heel ander effect op. De robot wordt griezelig. Dit effect heeft de naam Uncanny Valley gekregen, vertaald met Griezelvallei (Masahiro Mori, 1970). Als een robot qua uiterlijk of gedrag een mens gaat benaderen valt juist op dat de robot geen mens is. En dat ervaren we als eng of griezelig.

Twee voorbeelden van robots die op mensen lijken zijn ‘actroids’ die  zijn ontwikkeld door de Osaka University en de robot Altas van Boston Dynamics. De eersten worden zoveel mogelijk in hun uiterlijk vormgegeven als een mens (lichaam, gezicht, gezichtsuitdrukkingen). De tweede  robot heeft een vormgeving die op die van een mens lijkt, alleen een hoofd ontbreekt. Maar vooral de bewegingen doen heel erg aan die van een mens denken.

Hoe dit fenomeen van de Griezelvallei precies werkt bij mensen is niet helemaal duidelijk. Wel is de keuze om Zora vooral niet op een mens te laten lijken een deel van haar succes. Ze wordt eerder met een (schattige) pop geassocieerd dan dat ze als griezelig menselijk wordt ervaren.

Deel 2

In deel 2 van deze korte beschouwing kijken we naar het fenomeen antropomorfisme. Het derde fenomeen dat een gedeeltelijke verklaring vormt voor de manier waarop wij als mensen met robots omgaan.